Meditatie – De Oude Visser (deel II)
Meditatie in dichtvorm
Novi Sad, Servië, juli 2026 – In twee delen.
Deel II. Mooi voor de vakantietijd.
‘(…) Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen, en hun een hart van vlees geven,’ Ezechiël 11:19b.
Inleiding deel II
Onderstaande geeft het vervolg van het indrukwekkende gedicht over ‘De oude visser’. Misschien handig nog even het eerste deel op te slaan, om er weer in te komen.
Laten we ook weer bijgevoegde, bovenstaande Bijbel-teksten, Jer. 23:29 en Ez. 11:9b, lezen en overdenken.
Oké, predikant, ‘leraar’ genoemd in het gedicht, en ouderling gaan samen op huisbezoek. De leraar wil ook een bezoek brengen aan een oude visserman die zijn leven ‘vervreemd van God en Christus sleet’.
De ouderling ziet het niet echt zitten om daar aan te voldoen. Verspilde energie en ‘paarlen werpen voor een zwijn’…
Hoe is de reactie van de ‘leraar’ op dit advies en wat is de afloop? Reis verder mee in de geschiedenis van ‘De Oude Visser’ en je zult het zien.
Vervolg gedicht:
De leraar kon geen vrijheid vinden
Gevolg te geven aan die raad.
‘God opent wel ’t gezicht der blinden,’
Zo sprak hij, ‘door het slijk der straat;
Misschien wordt nog mijn nietig pogen,
Versterkt door zegen uit de Hoge...,
En zo aan hem iets groots verricht.
En ligt het in de raad... des Heeren,
Dat wij hier vrucht’loos wederkeren,
‘k volbracht dan toch mijn leraarsplicht.’
De grijsaard op zijn ruwe stoel
Zit ijverig aan een net te breien....
Het paar ontvangt hij bars en koel
En ziet hen aan met norse blikken,
Toch waagt men hem op zij te schikken.
De leraar, vriendelijk en vrij,
Spreekt als in ’t vak zeer wel ervaren
Van net-breikunst, van klos en garen,
Van weer en wind en visserij.
De grijsaard wel ter harte gaat,
Ziet men al spoedig wederkeren
De gulheid op zijn strak gelaat.
Al wat men vraagt, wil hij verklaren,
Vertelt van ’t zwerven... op de baren,
Van ’s vissers voor- en tegenspoed,
Van avonturen in zijn leven,
Van daden die hij had bedreven,
Die blijken gaven van zijn moed.
Maar doet hem vragen keer op keer,
En lokt tot nieuwe mededeling
De oude visser telkens meer.
Doch eind’lijk moet men toch vertrekken.
Dat ‘t echter bij al deez’ gesprekken
Slechts over aardse zaken ging,
De leraar, als door vrees bevangen,
Niet rept van d’ eeuwige belangen,
Zie, dat bevreemdt de ouderling!
Sprak d’ oude vriendelijk: ‘Mijnheer,
Gij kunt toch wonder aardig praten,
Kom alstublieft eens spoedig weer:
Ik spreek zo graag eens van die zaken.’
De leraar sprak: ‘Wie zou dat wraken.
Ook ik heb ijver voor mijn werk;
Dus als gij mij als vriend wilt eren,
Ei..., kom dan op de dag des Heeren
Mij ook eens horen in de kerk.’
Hij blijft een weinig zwijgend staan.
Doch spoedig sprak hij, zonder schromen:
‘Nee, nee mijnheer, dat zal niet gaan.
‘k Ging soms ter kerk in vroeger dagen,
Maar nooit werd daar iets voorgedragen
Dat mij bijzonder wel beviel.
Daar wordt van vissen niet gesproken,
Daarom kan ’t met mijn zin niet stroken,
Want visser ben ‘k met lijf en ziel.’
‘Te komen met de nieuwe week?
‘k Beloof u dan, zo sprak hij verder,
Dat ik dan over ’t vissen preek.
Gij kunt daar veilig staat op maken,
Gij weet nu dat ik over zaken
Van visserij wel praten kan.
Ik zal dan ook eens al die dingen
Heel deftig... op de preekstoel brengen.
Welnu, mijn vriend, wat zegt g’ ervan?’
Dan kan het niemand zoals gij,
Want nooit hoorde ‘k een heerschap spreken,
Die zoveel wist van visserij!
Ik zal die preek eens komen horen;
Maar dit vertel ik u te voren,
Dat als ‘t niet uitkomt naar mijn zin,
Dan zal ik vlug de kerk verlaten,
En of ge dan ook mooi kunt praten,
Gij krijgt er mij dan nooit weer in!’
Waar hij een stil vertrek betrad.
Daar was ’t dat hij de Heer’ der heren
Voor deez’ verstokte zondaar bad.
Dat Hij Zijn zegen neer mocht zenden
Op ’t geen hij verder aan zou wenden,
En dat uit goedheid, zonder peil,
Het God in Christus mocht behagen,
Die oude, aan ’t einde zijner dagen,
Te brengen tot het eeuwig heil
Het klokgelui en orgelspel
De mens ontlokt’ aan d’ aardse zorgen
En nodigd’ om op Gods bevel
In ’s Heeren tempel te vergaren,
Toen zag men met de vrome scharen
Ook d’ oude visser kerkwaarts gaan.
En, voor de preekstoel neergezeten,
Werd menig blik op hem gesmeten,
Men zag hem met verwondering aan.
’t Verhaal hoe Jezus langs de kant
Der Galilese zee gekomen,
Twee broeders... vissen zag aan ’t strand;
Die Hij beval het werk te staken,
Omdat Hij plan had hen te maken
Tot mensen-vissers op deez’ aard;
Waarop zij willig tot Hem gingen,
Verlatende hun aardse dingen,
Het eeuw’ge was hun meerder waard.
Van bijna niets dan visserij;
Wat hij door studie en ervaring
Daar slechts van wist, dat bracht hij bij.
En daar het thans aan kracht van spreken
Zo min als ooit hem bleek t’ ontbreken,
Zo boeit zijn voordracht iedereen;
Maar d’ oude, als in zich... verloren,
Volgt hem met ogen en met oren,
Geen woord ontglipt de man, zo ’t scheen
De spreker zich tot ieders hart.
Hij toont de zondaar zijn ellende,
Hoe roek’loos... hij Gods wrake tart.
En hoe hij na ’t hoogmoedig brallen,
Eens in des Heeren hand zal vallen,
Wiens heil’ge wet hij daag’lijks schond,
Om daar voor eeuwig om te komen
Tenzij hij hier wordt aangenomen
In ’t zaligmakend vreêverbond.
Die eeuwige rampzaligheid,
Die hen die hier Gods stem niet hoorden,
Ontwijfelbaar is toebereid;
Maar ook om zulken op te beuren,
Die hunne zonden diep betreuren,
Wijst hij op ’t kruis van Golgotha,
Waar allen die de Heere zoeken,
Hoe hard de wet hen moog’ vervloeken
Een troostbron vinden van genâ.
Als deze Boanerges...-taal
Hem krachtig in zijn oren dondert.
Geen lust gevoelt hij deze maal
Om vóór die tijd de kerk t’ ontlopen.
Hem breekt in ’t eind de mond nog open;
Hij zegt: ‘Hier hebt ge mij in ’t net!’
De leraar sprak: ‘ ’t Zij u ten zegen,
Zo ik u heb in ’t net gekregen,
Wordt gij door God er uit gered.’
Mist d’ oude man zijn vroeg’re rust.
Hij heeft nu met zichzelf geen vrede;
Maar, nog zijn toestand onbewust,
Kon hij de ware troost niet vinden,
Waar hij zich keren mocht of wenden,
Hij draagt zijn kwelling met zich om,
Hij voelt zich eind’lijk aangedreven
Naar ’s leraars huis zich te begeven,
En deze heet hem blij: ‘welkom’....
Eenvoudig, duid’lijk uitgelegd;
Dit geeft zijn ziel de rechte klaarheid,
Die zich weldra met vastheid hecht
Aan ’t Offer voor Gods gunstgenoten
Eenmaal op Golgotha vergoten;
En dit geeft hem allengskens moed
Om met zijn macht van vuile zonden
Te schuilen in zijns Heilands wonden;
Zo voedt hij hoop op ’t eeuwig goed.
Maar zoeter... ruste dan voorheen:
Het vast getuigenis des Heeren
Is ’t anker zijner hoop alleen;
Daar steunt hij op met vast vertrouwen.
Men hoort hem ’s Heeren lof ontvouwen,
Die in hem stookt een liefde-vlam,
Die hem aan d’ afgrond had ontheven
En zeker een vol loon zal geven,
Schoon hij ter elfder ure kwam....
Voor zijn ziel een volle bron,
Waar hij nu ware wijsheid leren
En zoete... troost verkrijgen kon.
De kerk was nu voor d’ oude grijze
De plaats waar hij de rechte spijze
Voor zijne grage... ziele vindt,
De leraar, die zijn hart mocht breken,
Is nu meer dan na ’t eerste spreken
Des ouden vissers goede vrind.
Geen roekeloze... vloeken meer,
Maar ziet in d’ afgrond van de baren
De wonderwerken van de Heer’,
En of hij ruim of schraal moog’ vangen,
Toch hoort men vaak zijn dankb’re zangen
Weergalmen over ’t watervlak;
En is hem weinig hier gegeven,
Hij slijt de avond van zijn leven
Tevreden onder ’t rieten dak.
Naar ’t eeuwig heil dat hij veracht,
Zo wordt hij op de weg ten leven
Ook tegen zijnen wil gebracht.
Nooit zal men naar de Heere vragen,
Men slijt gerust zijn levensdagen
Al woelend in het aardse dal,
Totdat hem God ontrukt aan ’t kwade;
Dat is de grootheid der genade
Die nooit volprezen worden zal.
Wijd al uw kracht aan Hem alleen,
Die Zijn beloften steeds vervulde,
Hoe duister vaak Zijn weg ook scheen
Die Hij verordend heeft te voren,
Zal Hij Zijn roepstem eens doen horen,
Hen oefenen in zaligheid,
En onbevlekt rechtvaardig maken,
En eens hen ’t hoogst geluk doen smaken
In d’ eindeloze heerlijkheid.
Uw Pier Meindertsma



























